Ik heb een testje voor je. Ga eens als het donker is voor de dichte gordijnen van je kamer staan. Stel je vervolgens voor dat datgene waar jij het bangst voor bent  . . . ja dat . . . een beetje zoals de Boeman oefening op Zweinstein, maar dan nóg erger. Heb je het? Oke, dat verschrikkelijke iets is aan de andere kant van dat gordijn aanwezig. Neem even de tijd, en je voelt het. Je voelt dat het slechts heel dun glas is en een gordijn, tussen jou en die andere wereld, met dat. . . dat. . . . het ding . . .! HET is er en HET wacht op jou. Je verstand zegt dat het onzin is, maar je gevoel weet wel beter. Het is schrödingers kat, die wereld daar achter je gordijn. Het is er, en het is er niet. Heb je op een heldere nacht wel eens naar de sterrenhemel gekeken? Dan zie je in je ooghoek een ster, maar zodra je je blik er op richt is die weg. Ook al weet je dat hij er nog steeds moet zijn, je ziet hem pas weer als je er niet naar kijkt. Zoiets.

 

Het begon toen ik 7 was, bijna 8 zou ik toen gezegd hebben. Gek, als je klein bent wil je ouder zijn en als je oud bent, juist weer jonger. Alsof je je leven als een accordeon kan induwen tot alleen het middenstuk. Ik weet nu dat de tijd heel anders in elkaar zat, maar wacht, ik loop op de zaken vooruit. De barrière tussen onze wereld en die andere zou gaan breken, is al gebroken, op het moment dat ik dit schrijf. (zie je wel? tijd! ik ben 15 nu, mocht je nieuwsgierig zijn) En ik ben bang dat het mijn schuld is. Was dat maar het enige waar ik schuld aan heb.

 

Ik lag in mijn nieuwe bed in het nieuwe huis. Een kamer die te groot was en te leeg. Ik was dus stiekem een beetje blij dat Suus, mijn zusje van vijf, binnen kwam, en tegen me aan kroop. Ze was bang. Ze had net als ik de stilte gehoord, beneden. Ik sloeg een arm om haar heen. Als ik mijn zusje kon beschermen, voelde ik mezelf altijd minder angstig.

 

Eerder die avond waren onze ouders heel druk bezig geweest om geen ruzie te maken. En zoals altijd deden we ons best om de sfeer te redden. We deelden leuke nieuwtjes over school, om de beurt, als een ballon waar je steeds een tikje tegen moet geven om hem niet op de grond te laten vallen. Suus vertelde met enthousiasme over de werkjes die ze gemaakt had. Die meid moet  toneelspeelster worden. Ik wist hoe saai Suus die werkjes vond. Ikzelf bewaarde voor die momenten altijd een paar sommen die ik geleerd had, of moeilijke woorden. Ik kon al veel meer, maar het is nooit slim om alles in één keer weg te geven. Op zulke moment kwamen ze goed van pas. Mijn ouders deden echt hun best, en ze gaven zelf ook af en toe een tikje tegen de ballon. Maar we hadden beiden gezien hoe de lippen van mama strak stonden, en hoe de blik van papa zo glazig werd, alsof hij dwars door ons heen kon kijken. Toneelspelen deden wij beter.

 

De ruzie was niet tot een uitbarsting gekomen. Ik vond dat jammer, want zo’n uitbarsting maakte Suus wel aan het huilen, maar daarna was de lucht tenminste wel geklaard. Nu was de stilte beneden dreigend. Suus had het ook gevoeld en lag nu naast mij, in slaap gevallen. Ik bracht haar terug naar haar eigen kamer. Gek genoeg werd Suus amper wakker. En toen was ik weer alleen. En wakker. In het oude huis hadden we een kamer gedeeld, nu hadden we beiden een eigen kamer. Mam had het aangekondigd alsof het fantastisch was. Ik vond het verschrikkelijk, hij miste Suus, en mijn kamer was te groot en te leeg. En te eng. Want vanavond was een oneven avond. Even avonden waren oké, dan kon ik veilig gaan slapen. Maar de volgende avond moest ik daarvoor betalen met nachtmerries. Dat was een vast gegeven. Elke oneven avond kwamen er nachtmerries. Ik had toen zelfs al door dat dit mijn eigen schuld was. Ze kwamen waarschijnlijk juist doordat ik er op rekende. Maar er heel hard niet op rekenen is hetzelfde als er wel op rekenen. Je kunt niet iets niet weten als je het eenmaal weet.

 

Dus bestudeerde ik mijn nieuwe kamer. Afleiding en wakker blijven, zo lang mogelijk. Mijn eerste spel was proberen om alle silhouetten in mijn kamer te herkennen. Niet eens makkelijk, als er spullen dicht op elkaar stonden, of achter elkaar. Het donker haalt alle 3D weg uit je ogen. Soms dacht ik het te weten, maar dan was het iets van Suus, toen we nog een kamer deelden. Ik miste niet alleen Suus, ik miste ook de spullen van Suus. Als ik een vorm echt niet terug kon brengen had ik een dilemma. Mijn bed uit om te controleren? Maar wat nu als je dingen doet om jezelf gerust te stellen, en ze stellen je niet gerust? Er is altijd de kans dat je het erger maakt. Ik koos voor de knagende onzekerheid. Ik had vroeger een heel hoofd vol knagende onzekerheden. Ik zou die nu graag weer willen ruilen voor de verschrikkelijke zekerheid waar ik nu mee moet leven.

Ik vond dan gelukkig afleiding in de patronen op de gordijnen, maar dan ergerde ik me weer omdat ik de gordijnen nooit zo ver dicht kon trekken dat het patroon van het linker gordijn overliep in het rechter. Waarom hadden ze daar geen rekening mee gehouden? Zo had ik nog wat spelletjes met lijnen, patronen en vormen in het diepe schemer van mijn kamer. Tot het onvermijdelijke gebeurde en ik in slaap viel, overgeleverd aan mijn nachtmerries.

 

Schrijf alles op, zei de psycholoog. Dat helpt met verwerken. Schrijf het op, voor jezelf.

Maar hoe beschrijf ik mijn dromen, mijn nachtmerries?

 

Muggen waren het. Grote muggen, hele grote muggen, groter dan ik zelf. Ze kwamen van alle kanten aanvliegen. Stel je het geluid voor, niet dat hele hoge gezoem, maar een huiveringwekkend gonzen van vleugels. En er was nog iets. Iets dat erger was dan de muggen. In nog geen enkele droom had ik het gezien, maar ik kon het altijd voelen. Een dreiging zo groot dat die muggen kinderspel leken. En Elke droom was een kat en muisspel. Dat was het erge, steeds ontsnappen en steeds weer de dreiging.  En elke droom eindigde hetzelfde: uiteindelijk wist ik mijn eigen kamer te bereiken, met de muggen op mijn hielen. Het geluid van vleugels die tegen de muur schraapten kraste over mijn rug. Ik opende mijn raam, een panisch moment omdat ik nog steeds moeite had met de manier waarop deze ramen open gingen. Dan klom ik op de vensterbank, en ik sprong naar beneden. Ik wist dat de schok waarmee ik op het terras zou landen me wakker zou maken.

 

Maar die ene nacht aarzelde ik, zittend op de vensterbank, mijn benen al uit het raam. Deze droom leek te levensecht. Ik hoorde ook de muggen niet meer. Wat nu als ik slaapwandelde? Wat nu als ik wakker was geworden hier, op die vensterbank? Was de stilte een onderdeel van het kat en muisspel? Nee, de muggen hadden plaats gemaakt voor dat andere, het naamloze ding dat ik niet alleen in mijn dromen kon voelen, maar dat steeds vaker ook overdag in de buurt leek. Het was hier, in mijn kamer, onzichtbaar. Nog nooit had ik het zo dichtbij gevoeld. Het echte gevaar zit niet in de vreemde silhouetten in de schemer. Het echte gevaar is onzichtbaar en ademt in je nek. De angst werd zo groot dat ik besloot te springen. Ik raakte de grond en . . .

 

Ik weet nog de steek van pijn die ik voelde toen ik op het terras terecht kwam, en een droge knak! Ik had iets gebroken! Dus toch! Ik was al wakker geweest!. Ik probeerde me voorzichtig te bewegen. Niets! Ook geen pijn meer. Verlamd! Zoals Ruud. Ruud was een jongen in zijn vroegere dorp. Hij zag hem wel eens op straat rijden.In een rolstoel, helemaal ingepakt in een deken, zelfs in de zomer. Zijn rolstoel bestuurde hij door in een pijpje te blazen. Ik had over hem gehoord dat op een vakantie in een te ondiep riviertje had gedoken, en daarmee zijn nek had gebroken. Zijn hele lichaam was verlamd. Dat was ik nu. Ik zou de rest van mijn leven net als Ruud in een pijpje moeten blazen om vooruit te komen. En als ik wilde praten zou ik zo’n akelige stem hebben uit zo’n kastje. En dat omdat ik zelf uit mijn raam was gesprongen!

En toen pas werd ik echt wakker. Het was een droom in een droom geweest.

 

Op het voeteneind van mijn bed zat mijn moeder. Ik had dus weer geschreeuwd in mijn droom. Ze boog zich voorover, deed mijn nachtlampje aan en toen zag ik dat het niet mijn moeder was. Het was een oudere vrouw, ze leek op mijn oma, en toch ook weer niet. Het vreemdste was dat ze een Adventure-time T-shirt aan had. Finn en Jake. Een cartoon die ik met Ineke keek. Haar veel oudere broer had ons dat laten zien. Zo veel gaver dan de cartoons die ik van mijn ouders mocht kijken. Niemand die ik kende had ooit van die serie gehoord. En nu zat een wildvreemde vrouw met dit T-shirt op mijn bed.

 

“Jacob! Je bent wakker Dit is geen droom. Ik heb je nodig, kom!”

Ze pakte mijn hand en ik liet me meevoeren naar het raam. De vrouw schoof de gordijnen oozij en deed het raam open. Het was laat in de lente en het werd al licht buiten. In de lucht zag ik de muggen uit mijn droom. Net zo groot en net zo verschrikkelijk. Ik sloeg mezelf in het gezicht. Dat deed zeer. En de muggen waren er nog steeds. Ze bleven stil hangen/zweven in een halve cirkel voor mijn raam.

“Ze aarzelen. Jouw dromen kennen ze door en door, maar deze realiteit is nieuw voor ze. Maar we hebben niet veel tijd. Jacob, ik heb je kracht nodig. Jij hebt deze muggen naar jouw wereld gebracht. Alleen jij kunt ze weer laten verdwijnen. Je hebt meer kracht in je dan je weet. “
Ze pakte mijn beide handen beet en keek me aan. Nog nooit had iemand me zo aangekeken. Nou ja Suus misschien, en Ineke, maar Suus was mijn kleine zusje en Ineke was nou ja, Ineke, mijn beste vriendin. Met Ineke deed ik alles en durfde ik alles, vooral omdat zij het durfde. Maar deze blik was vreemd voor een volwassene. Ik kon het toen niet benoemen. Nu weet ik wat het was wat ik voelde: vertrouwen. Een volwassene die vertrouwen in mij had. Dat was een volstrekt nieuwe ervaring. Ik voelde kracht in me stromen, alsof het door de handen van de oude vrouw kwam. En toch voelde het als kracht van mezelf.

“Precies!” zei de vrouw alsof ze mijn gedachten kon lezen, “jouw kracht, jouw muggen. Wil je ze, of wil je ze niet?”

Ik wilde ze niet. Ik voelde een boosheid opkomen, en richtte die op de muggen. Er gebeurde iets vreemds. Het leek alsof hun vleugels plotseling stilstonden, en de trilling overbrachten naar de reusachtige lijven. Die trilden zo hard dat ze uit elkaar spatten. Een moment later was de lucht leeg, en leek het alsof de muggen er nooit waren geweest.

“Maar ze waren er wel. Jij hebt ze bestendigd, en jij had ook de kracht om ze op te lossen. Ik wilde dat ik bij je kon blijven om je te leren met deze kracht om te gaan, maar tijd zit gek in elkaar. Ik ben precies op dit moment in een andere wereld hard nodig. Ergens waar jij me harder nodig hebt dan hier.”

Met die woorden was ze weg. Mijn kamer was weer zo leeg als altijd. Toen ging mijn kamerdeur open. Het was mijn moeder.

“Jacob! Wat spook jij zo vroeg? En doe dat raam dicht! Zo komen de muggen binnen!”

Terug in bed sliep ik zonder nachtmerries verder, en de volgende ochtend wist ik zeker dat alles een droom was geweest. Een droom in een droom in een droom. Fijn dat ik in mijn droom een manier had gevonden om met mijn nachtmerries af te rekenen dacht ik nog. Tot ik het T-shirt zag. Het Finn en Jake Adventure Time T-shirt dat de oude vrouw uit mijn droom had gedragen, lag over mijn stoelleuning, naast mijn andere T-shirt. Klaarlichte dag, ik kon het vastpakken en het verdween niet.

 

Ineke geloofde dat het geen droom was geweest. Ze hield het T-shirt omhoog.

“Dit is het bewijs! De enige reden waarom jij het niet gelooft is omdat je denkt dat ik op een of andere manier dit T-shirt op je kamer hebt gelegd.”

Ze moet iets aan mijn gezicht hebben gezien, want ze riep “ Zie je wel! Je verdenkt mij! Maar ik weet zeker dat ik het niet gedaan heb. Dus dat T-shirt heeft ze achtergelaten als teken, omdat je zou twijfelen. Ze kent jou dus net zo goed als ik. Je hebt speciale krachten joh! Probeer ze uit! Hier ziet toch niemand ons.”

We zaten in de hut. Zo noemden we hem, maar het was geen echte hut, het was een groep hele grote rodondendronstruiken, met een soort open plek in het midden, in een uithoek van het park. Niemand kon je zien als je midden tussen die struiken zat, het was onze ideale hide-out. Alleen Suus wist ervan. Dit was de plek waar Ineke en ik altijd samen kwamen, van waaruit we onze avonturen beleefden. Stoere avonturen, want Ineke was een jongetjesmeisje, zoals ze zelf zei. “En jij bent een meisjesjongetje, daarom passen we zo goed bij elkaar.”

Een jongetjesmeisje was stoer, maar een meisjesjongetje was alleen maar een watje. Ik wist wel dat Ineke het als compliment bedoelde, maar ik was blij dat ze het niet zei waar anderen bij waren.

En nu zat Ineke daar, met een blik waaruit zoveel vertrouwen uitsprak, dat ik niet anders kon dan proberen. Er gebeurde niets, maar zelfs dat deed haar geloof niet wankelen.

“Dat gebeurt bij superhelden ook altijd, dat het de eerste keren mis gaat.”

Het bleef mislukken en Ineke bleef vertrouwen houden.

“Het komt natuurlijk pas als het echt nodig is, of zoiets, of als je stopt met er over na te denken.”

Ineke en ik keken teveel series die niet geschikt waren voor onze leeftijd. Inekes broer was een eindeloze bron, en een hoop van onze kinderlijke wijsheid haalden we daarvandaan.

Maar ze bleek gelijk te hebben, al zou het nog 8 jaar duren voor het zo ver was.

 

Please follow and like us: